Adviezen 2008

2008/05 Identiteit als troef: Waddenlandschap vol verrassingen

2008/05 Identiteit als troef: Waddenlandschap vol verrassingen

De Tweede Kamer heeft de Raad gevraagd om op basis van een zo volledig mogelijk overzicht van de toeristische en recreatieve bedrijvigheid in en rond de Waddenzee aan te geven waar voor deze sector ontwikkelingsmogelijkheden liggen, en wat de economische effecten daarvan zijn. De ontwikkelingsmogelijkheden kunnen bestaan uit een groei of afname van de omvang en economische betekenis van de recreatiesector en uit een verdere verduurzaming ervan. Vanwege de relatie hiervan met de doelen van het Waddenfonds, is besloten het advies ook ongevraagd aan de minister van VROM uit te brengen.

Uitgangspunt voor het advies is de realisatie van de beleidsdoelen voor de Waddenzee en het Waddengebied, zoals die zijn vastgelegd in de pkb Derde Nota Waddenzee.

Het onderzoek naar de huidige betekenis en de ontwikkelingsmogelijkheden van de recreatiesector in het Waddengebied, dat de Raad in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen heeft uitgevoerd, vormt de basis voor het advies. In dat onderzoek zijn de beschikbare economische data verzameld en geanalyseerd en zijn, mede aan de hand van interviews en enquêtes onder de ondernemers, de kansen en knelpunten in beeld gebracht zoals de recreatiesector die zelf ziet of ervaart.

De vastgestelde beleidsdoelen voor het gebied zijn in het advies vertaald in een streefbeeld voor recreatie en toerisme voor 2025. Op deze manier is - op hoofdlijnen - inzichtelijk gemaakt hoe de door de sector gewenste ontwikkelingen zich verhouden tot de door de overheid gewenste ontwikkelingsrichting (beleidsdoelen).

Economisch onderzoek
Uit het onderzoek blijkt dat de traditionele bezoeker van de Waddeneilanden en de Waddenzee kwaliteiten als rust, ruimte, natuur en landschap het meest waardeert. In het toeristisch veel minder ver ontwikkelde kustgebied van het vasteland spelen naast het landschap en de ruimte, cultuurhistorische bezoekersmotieven een belangrijke rol. Het Waddengebied kent een grote groep trouwe bezoekers die vaker dan één keer de streek bezoeken, wat overigens onverlet laat dat de toerist van vandaag andere wensen en eisen heeft dan die van enige tijd geleden.
Het onderzoek laat verder zien dat het Waddengebied wat betreft de recente banengroei het tempo van de nationale economie niet heeft kunnen bijhouden. De eilanden hebben het met 11,8% groei (ten opzichte van 19,4% landelijk) relatief nog goed gedaan in verhouding tot de vastelandskust met 4,5%.

Eilanden
De Waddeneilanden zijn een populaire vakantiebestemming. Meer dan de helft van alle Nederlanders heeft tenminste een keer een eiland bezocht, vaak tijdens een gezinsvakantie. Nog steeds komen de meeste bezoekers voor een lange vakantie. Toch neemt daar de gemiddelde vakantielengte af door een groeiend aantal korte vakanties buiten het (bijna) volledig bezette hoogseizoen.

Recreatie en toerisme is de belangrijkste economische sector op de eilanden. Met percentages van ruim 22% tot bijna 50% van de mensen werkzaam in de horeca stijgen de eilanden ver boven de kustgemeenten uit. Het aandeel van de werkgelegenheid in de vrijetijdssector ligt met percentages tussen de 30% en 60% nog hoger. Van de eilanden heeft Schiermonnikoog het hoogste aandeel horeca en vrijetijdswerkgelegenheid; Texel het laagste aandeel. Schiermonnikoog heeft naast de recreatiesector geen andere economische activiteiten van enige omvang. Er is op de eilanden een rijk aanbod aan voorzieningen, activiteiten, natuurgebieden en cultureel aantrekkelijke locaties. In het hoogseizoen is sprake van een hoge benutting van de beddencapaciteit.

Vastelandskustgebied
De economische betekenis van recreatie en toerisme in de kuststrook op het vasteland is ten opzichte van de eilanden bescheiden. De werkgelegenheid in de vrijetijdssector ligt duidelijk lager dan op de eilanden, zowel absoluut als procentueel gezien. Wel maakt de recreatiesector in het vastelandskustgebied een bovengemiddelde groei door ten opzichte van andere sectoren. Aan de kust zijn de gemeenten met het hoogste horeca-aandeel, Wieringen in Noord-Holland, Wûnseradiel in Fryslân en De Marne en Reiderland in Groningen.

Waddenzee
Op de Waddenzee is het jaarlijkse aantal recreatieve vaarbewegingen de afgelopen 25 jaar verdubbeld tot 126.000 sluispassages. Het merendeel komt voor rekening van zeilschepen. Er treedt daarbij een verschuiving op naar meer luxe, grotere jachten, die voornamelijk door de grote vaargeulen in de westelijke Waddenzee van haven tot haven varen. Een andere categorie wordt gevormd door wadvaarders met platbodems en andere minder diep stekende boten en kanovaarders, die zich meer in de rustige, maar kwetsbare oost-west gerichte geulen begeven. Ze varen daarbij regelmatig buiten de boeien en laten zich bij laagwater droogvallen. Een derde categorie omvat de bijna 400 schepen van de chartervloot (de 'bruine vloot'), die met groepen recreanten vaartochten maken en eveneens regelmatig droogvallen.

Een andere, naar omvang stabiele en karakteristieke vorm van recreatief gebruik is het wadlopen, dat voornamelijk in de oostelijke Waddenzee plaatsvindt.

Resultaat interviews en enquêtes recreatieondernemers
Een opmerkelijk resultaat uit de enquête is de duidelijke keuze van de recreatieondernemers voor behoud en versterking van de identiteit van het Waddengebied. Binnen deze keuze gaat de voorkeur (op de eilanden) uit naar verdere groei van het aantal bezoekers, met als doel zo een 'Waddenvakantie' voor iedereen bereikbaar te houden.

De belangrijkste algemene trends die kansen bieden voor de recreatie en toerisme in het Waddengebied zijn de vergrijzing en doorgaande stijging van de welvaart, de toenemende vraag naar korte, goed georganiseerde vakanties en de groeiende vraag naar duurzaam (eco)toerisme.

Met het oog op de trends en de gewenste beleidsontwikkelingen is het noodzakelijk een aantal strategische keuzen te maken. De vragen waarvoor dit aan de orde is zijn per gebied in de vorm van dilemma's voor de toekomst weergegeven.

Eilanden
Dilemma 1: kan de autonome trend naar minder maar meer welgestelde mensen worden gecombineerd of verenigd met de wens naar blijvende of zelfs groeiende toegankelijkheid voor veel mensen?
De recreatieondernemers streven naar een zo groot mogelijke doelgroep, maar maken daarnaast ook de economische afweging om in te spelen op de vraag naar meer luxe (i.c.m. meer ruimte vragende) accommodaties. In combinatie met een ongeveer gelijkblijvende beschikbare oppervlakte resulteert dit in hogere prijzen per overnachting.

Dilemma 2: kan de groei van het aantal bezoekers worden gecombineerd met het behoud van het eilandgevoel?
Als de toename van het aantal bezoekers vooral moet worden gevonden in een groei van het dagtoerisme en de daarvoor noodzakelijke verbetering van de bereikbaarheid van de eilanden, kan dit ten koste gaan van het 'eilandgevoel'. In hoeverre het eilandgevoel voor eilandbezoekers een bepalend identiteitskenmerk is, is niet geheel duidelijk; uit de beschikbare gegevens blijkt dat een deel van de bezoekers zich (mede) door dit gevoel tot de eilanden voelt aangetrokken, terwijl een ander deel de beperkte bereikbaarheid als een negatief kenmerk waardeert.

Dilemma 3:  kan de groei van het aantal bezoekers door een betere bereikbaarheid op een duurzame wijze worden vormgegeven?
Intensivering van de verbindingen tussen de eilanden en het vastelandskustgebied leidt in beginsel tot een grotere belasting van het milieu. De opgave is om na te gaan op welke wijze deze toename kan worden beperkt of kan worden gecompenseerd door het realiseren van aanvullende maatregelen of voorzieningen (bijv. via gebruik van biobrandstoffen).

Vastelandskust
Dilemma 1: betekent veel ruimte ook ruimte voor recreatie en toerisme?
In het vastelandskustgebied speelt recreatie en toerisme als economische activiteit een bescheiden rol, ook gezien de recreatieve potentie van het gebied. Dat kan te maken hebben met de relatief grote fysieke afstand tussen de verschillende toeristisch interessante elementen en/of met de ontsluiting (vindbaarheid) ervan. De aantrekkelijkheid van het vastelandskustgebied ligt onder andere in de weidsheid, de karakteristieken van het landschap, waarin de ontstaansgeschiedenis nog is af te lezen, en in de (cultuur)historische waarde van het gebruik en de bewoning van het gebied. De opgave is om in het vastelandskustgebied ontwikkelingen tot stand te brengen die, met behoud van de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het gebied, toeristisch-recreatieve voorzieningen toevoegen.

Dilemma 2: hoe kan de recreatiesector groeien zonder 'sterk merk'?
Met uitzondering van het uiteraard overal aanwezige landschap is de infrastructuur van bezienswaardigheden ijl en vooral gericht op kleinschalig toerisme. Verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn dun gezaaid en over het algemeen eveneens kleinschalig. Nieuwe ontwikkelingen zoals Esonstad laten zien dat er wel mogelijkheden zijn voor (meer grootschalige) recreatieve ontwikkelingen, en de zeehondencrêche van Pieterburen bewijst al jaren dat er ook voor grootschalige dagattracties bestaansrecht kan zijn. In het economisch onderzoek wordt gebrek aan samenwerking als (een van) de reden(en) genoemd voor de achterblijvende ontwikkeling. Het kan echter ook een kip-en-ei vraagstuk zijn: initiatieven komen niet van de grond omdat er teveel onzekerheden zijn over het aantal toeristen dat wordt aangetrokken en omgekeerd blijven toeristen weg omdat het toeristisch-recreatieve aanbod tekortschiet en omdat het gebied een imago heeft van wind en kaalheid.

Waddenzee
Dilemma 1: hoe kan iedereen genieten van de kwaliteiten van de Waddenzee?
Op de Waddenzee zijn de verschillende vormen van recreatie over het algemeen wettelijk of in de vorm van convenanten gereguleerd. Dit geldt in ieder geval voor activiteiten als wadlopen, droogvallen van schepen en de chartervaart. Met de inwerkingtreding van de pkb Derde Nota Waddenzee is de ligplaatsennorm voor jachthavens vervallen. De betrokken overheden hebben een Convenant Vaarrecreatie gesloten, gericht op integraal kwaliteitsgericht beleid. Het gaat vooral om het verbeteren van de monitoring, het verbeteren van de voorlichting, het geven van trainingen en het ontwikkelen van reserverings- en informatiesystemen en meldpunten voor verstoringen.

Dilemma 2: veiligheid en voldoende capaciteit in jachthavens
De watersportrecreatie is onderverdeeld in een aantal groepen, ieder met eigen wensen en eisen t.a.v. toeristisch-recreatieve voorzieningen en dus ook met een verschillende mate van afhankelijkheid van recreatieondernemers. De groep die het minst afhankelijk is van voorzieningen is de groep die individueel vaart met een platbodem of vlakgaand schip en gedurende laagwater droogvalt op het Wad. Recreanten met een scherp kieljacht zijn doorgaans iets minder onafhankelijk, en hebben de voorkeur voor het overnachten in een jachthaven. In de chartervaart tenslotte, spelen recreatieondernemers een belangrijke rol als aanbieder van charters. Zowel binnen als tussen deze groepen Waddenzeerecreanten kunnen de eisen en wensen op het gebied van kwaliteit en voorzieningen sterk verschillen.

De uitdaging in het convenant is het vinden van een balans tussen het aanbod en de vraag naar ligplaatsen binnen economisch en ecologisch verantwoorde grenzen.

Identiteit van het Waddengebied
Het Waddengebied is een fysische regio die zich langs de zuidoostkusten van de Noordzee uitstrekt, langs de randen van het Noordwest-Europese vasteland. Rond de gelijknamige ondiepe kustzee is een Waddenlandschap ontstaan dat zich vanwege de specifieke associatie van vormen van zowel fysische als sociaal-culturele aard onderscheidt van zijn omgeving.

De Waddenzee heeft het aangrenzende kleiland gevormd. Tot ongeveer 1500 is er sprake geweest van een op en neer gaan van land en zee. Daarbij was in de tijd vóór de bedijkingen en in cultuurneming van de binnenlandse veenzoom (tot pakweg 800) sprake van landwinst. Die winst was mogelijk omdat de venen tot die tijd zo goed als onaangetast bleven en het zeewater tevens nog zijn vrije loop had over de onbedijkte kwelders. Daarentegen was tussen 800 en 1500 per saldo sprake van landverlies en grote wateroverlast. In deze periode begonnen de bewoners van het Waddengebied te bedijken en te sleutelen aan de afwatering. Met de dijken werd het Wad letterlijk en figuurlijk buiten gesloten. In Groningen, maar vooral in Friesland en Oost-Friesland werd de band tussen land en zee steeds zwakker. Meer en meer werd de zee als een last en bedreiging gezien.
In de kustplaatsen waar de zeevaart en de visserij van belang bleven, zoals de Friese Zuiderzeestadjes, Harlingen, Wierum, Zoutkamp, Delfzijl, Emden, Tönning, enz. bleef wel een sterke oriëntatie op de zee bestaan. De leefwereld van de eilanders wordt sowieso al eeuwen gekenmerkt door een spanningsveld tussen de dynamiek van buiten (grote handelsvaart, walvisvaart, haringvisserij) en die van binnen (landbouw, strandrijderij, kustvisserij).

In de Nieuwe, Vroegmoderne Tijd (1500-1850), toen het de bewoners van het Waddengebied voor de wind ging, werd zijn schoonheid afgemeten aan de uitnemende geschiktheid voor het menselijk gebruik. Al in de tweede helft van de achttiende eeuw sloeg dat beeld om, met name wat de eigenlijke Waddenzee betrof, om pas van het midden van de negentiende eeuw opnieuw en met name op de eilanden door een verpozende elite te worden herontdekt.

Het kleiland (de bedijkte kwelders) met zijn terpen, dijken en zijlen, kwelder- en oeverwallen, boerderijen, middeleeuwse stinswieren en dorpskerken, kreken, kanalen en eendenkooien raakte na 1850 niet alleen economisch, maar ook sociaal en cultureel uit beeld.

Het is duidelijk dat het kleiland, de bedijkte kwelders, zowel landschapsgenetisch als cultuurhistorisch een integraal onderdeel is van het Waddengebied en een voorbeeld van een minstens twee millennia oude interactie tussen de mens en zijn fysieke omgeving. Eeuwenlang was het kwelderland het ?strijdtoneel? tussen mens en natuur. Dat het desondanks veelal niet als samenhangend geheel werd en wordt herkend houdt zonder meer verband met zijn decentrale, insulaire karakter.

Veranderende opvattingen over natuur en milieu maakten het in de jaren zeventig mogelijk om de Waddenzee en zijn natuurlijke belendingen een bijzondere status te geven als natuurgebied. Cultuurhistorisch gezien zou dit vergelijkenderwijs eveneens voor het Waddengebied, met inbegrip van het kleiland moeten gelden. Dit laatste gebied maakt uiteindelijk zowel in landschappelijk als cultureel opzicht deel uit van de Waddenregio, een samenhangend gebied bestaande uit zee, eilanden en de kleigebieden.

Maatregelen realisatie van het streefbeeld 2025
De Raad heeft ervoor gekozen om zijn adviezen vooral toe te spitsen op de maatregelen die kunnen bijdragen aan het realiseren van een aantrekkelijk toekomstperspectief. Deze maatregelen betreffen:

a. mogelijke uitruil gebieden
Een van de mogelijkheden om zowel de omvang van verblijfsrecreatieve voorzieningen uit te breiden, als ook de natuurwaarden op de eilanden te vergroten, is het verkennen van de mogelijkheden voor uitruil van gebieden. Het gaat hierbij dan om gebieden met potentieel hoge natuurwaarden, zoals het binnenduinrandgebied, tegen Natura 2000-gebieden met meer algemene natuurwaarden, of gebieden die in beginsel een grotere draagkracht hebben ten aanzien van recreatief medegebruik. De mogelijkheden hiervan moeten worden bezien, als daarvoor voldoende draagvlak bestaat bij natuurbeschermingsorganisaties, plaatselijke bevolking en recreatieondernemers.

b. bescherming natuurwaarden tegen eventuele effecten seizoensverlenging
Eventuele nadelige effecten van seizoensverlenging op natuurwaarden dienen voorkomen te worden door te zorgen voor een goede bescherming van de betreffende natuurwaarden (bijv. via zonering, inrichtingsmaatregelen). Door dit te combineren met een goede monitoring kan de draagkracht van verschillende gebieden beter in beeld worden gebracht.

c. ontwikkeling culturele evenementen en arrangementen
De ontwikkeling van culturele evenementen en arrangementen levert zowel een bijdrage aan de specifieke kwaliteiten van het Waddengebied, als ook een economische impuls, met name wanneer het activiteiten betreft die buiten het hoogseizoen worden georganiseerd. De Raad adviseert beleidsmatig ruimte te bieden aan de ontwikkeling van regelmatig terugkerende (culturele) activiteiten die de identiteit van het Waddengebied versterken. Voorwaarde is wel dat deze activiteiten van meet af aan zorgvuldig worden ingepast binnen de randvoorwaarden op het gebied van natuur en landschap.

d. versterking samenwerking eilanden en vastelandskustgebied
De oplossing voor het ruimtetekort voor de verdere groei van verblijfsrecreatie op de eilanden en de ruimte voor de groei van het dagtoerisme kan worden gevonden in het vastelandskustgebied. Daar zijn nog volop mogelijkheden voor een verantwoorde ontwikkeling van de recreatiesector. Omgekeerd lijkt dit meteen ook een oplossing te bieden voor het belangrijkste obstakel voor verdere ontwikkeling van recreatie en toerisme in het vastelandskustgebied (te weinig bezoekers in combinatie met een tekort aan initiatieven op het gebied van ontwikkeling van accommodaties en attracties). Om zo'n ontwikkeling van de grond te krijgen zal de samenwerking tussen de eilanden en het vastelandskustgebied aanzienlijk moeten worden geïntensiveerd. Naar verwachting heeft dit alleen kans van slagen als ook de openbaar vervoerverbindingen tussen de eilanden en de kust sterk worden geïntensiveerd. De overheid kan zo het gebruik van openbaar vervoer in het gebied stimuleren en tevens een bijdrage leveren aan het imago van het Waddengebied als milieuvriendelijke omgeving.

e. ontwikkeling sterke merken vastelandskustgebied
In het vastelandskustgebied zijn mogelijkheden voor de ontwikkeling van sterke merken. Op diffuse wijze bestaan deze al in de vorm van de rijke cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het vastelandskustgebied. De Raad adviseert andere trekpleisters te ontwikkelen die veel bezoekers trekken en die de bestaande kwaliteiten beter zichtbaar maken. Van belang daarbij is dat de aard en thematiek van de trekpleisters passen bij de identiteit van het Waddengebied. Recreatief aantrekkelijke thema?s zijn bijvoorbeeld de Afsluitdijk, energie, klimaatverandering (in combinatie met de uitwerking van het rapport van de Deltacommissie), de transitie van de visserij, mobiliteit en uiteraard natuur. Door deze thema?s verspreid over het Waddengebied een prominente plaats te geven kunnen ze een grote aantrekkende werking hebben voor recreatie en toerisme. Verder bieden ook plaatsen als Appingedam, Dokkum en Harlingen en de oude universiteitsstad Franeker, die de vroegere rijkdom en cultuurhistorische betekenis van het Waddengebied weerspiegelen, kansen.

Werelderfgoedstatus benutten
Naar verwachting zal de status van Werelderfgoed van het natuurgebied Waddenzee eveneens een aantrekkende werking hebben op recreatie en toerisme. Deze status biedt echter ook voor het aangrenzende kustgebied kansen, als de regio er in slaagt om een verband te leggen tussen de waarde van het natuurgebied Waddenzee en de Werelderfgoedwaardige cultuurhistorische en culturele waarden van het gehele Waddengebied. Door de logische verbanden tussen Waddenzee en Waddengebied zichtbaar te maken en te benadrukken kan het hele kustgebied meeliften op de bekendheid en de uitstraling die de status van Werelderfgoed met zich meebrengt.

Daarnaast geldt dat de Werelderfgoedstatus ook goed te gebruiken is bij de promotie in het buitenland van het Trilaterale Waddengebied. Daarbij is van belang dat de campagne niet alleen het Duitse of bijvoorbeeld het Nederlandse Waddengebied promoot, maar het gehele Trilaterale Waddengebied. Om de Werelderfgoedstatus daadwerkelijk een bijdrage te kunnen laten leveren aan de verdere ontwikkeling van de recreatiesector in het Waddengebied, zal ook de toeristische infrastructuur, waaronder bezoekerscentra, die hiervoor nodig is moeten worden gerealiseerd.

Effecten op natuurwaarden
Nieuwe recreatieve activiteiten betekenen meestal een aanvulling op bestaande activiteiten en kunnen de druk op een gebied opvoeren. Het kan ook om activiteiten gaan, die recreanten in gebieden brengen die daarvoor nog onverstoord waren. Over de effecten van recreatie en toerisme op natuurwaarden, en met name als het gaat om dosis-effect-
relaties, is de kennis beperkt. In het advies zijn de belangrijkste conclusies overgenomen die door het RIKZ in een overzichtsonderzoek op dit onderwerp zijn gepubliceerd.

Ontwikkelingen zoals geschetst in het streefbeeld zijn naar verwachting niet a priori in strijd met de waarde van natuur en landschap en de flora en fauna zolang de nodige behoedzaamheid wordt betracht bij de verdere ontwikkeling van de recreatiesector. Bij de uitvoering van de nagestreefde ontwikkelingen moet zeer bewust en expliciet invulling worden gegeven aan de aanbevelingen op het gebied van inrichting, beheer en toezicht en aan het opzetten en uitvoeren van gerichte monitoring en langetermijnonderzoek, om daarmee ten aanzien van nieuwe ontwikkeling een bestuurlijke "vinger aan de pols te houden".

U kunt het advies downloaden (pdf, 3,8 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).

Bij dit advies behoren de volgende twee bijlagen:

Recreatie en toerisme in het Waddengebied; analyserapport (pdf,  2,7 Mb)
Waddenzee-Waddenland; essay Meindert Schroor (pdf, 2,5 Mb)

2008/04 Het Waddengebied als proeftuin voor biomassa

2008/04 Het Waddengebied als proeftuin voor biomassa

Adviesaanvraag
De Tweede Kamer heeft de Raad voor de Wadden advies gevraagd over de mogelijkheden van productie, opwerking en gebruik van biobrandstoffen in het Waddengebied. De Raad heeft de adviesvraag verbreed naar de mogelijkheden van biomassa in het Waddengebied, aangezien biomassa ook aangewend kan worden voor energiewinning (warmte en elektriciteit) en als grondstof kan worden ingezet voor de productie van materialen en binnen de chemie. Juist deze  toepassingsmogelijkheden kunnen een belangrijke rol spelen in het Waddengebied.

Specifieke sterktes Waddengebied
Het Waddengebied heeft enkele specifieke sterktes, zoals een sterk agrarisch cluster, een energie- en chemiecluster in de Eemsdelta, nabijgelegen kennisclusters en een duurzaam ondernemersklimaat. De Raad stelt dat de mogelijkheden tot aansluiting bij deze gebieds-specifieke sterktes het Waddengebied een goede uitgangspositie geven om met biomassa-toepassingen een duurzame bijdrage te leveren aan de economische versterking van de regio.

Randvoorwaarden voor biomassa
Duurzame biomassa-ontwikkelingen moeten wel op een verantwoorde manier gerealiseerd worden. De Raad is van mening dat de identiteit c.q. het karakter van het gebied een belangrijk uitgangspunt moet zijn bij toekomstige ruimtelijke en economische ontwikkelingen, waarbij de kernkarakteristieken van het Waddengebied niet aangetast en bij voorkeur ondersteund moeten worden. Om dit te bereiken adviseert de Raad om de benodigde biomassa-installaties en bebouwing aan te laten sluiten bij de bestaande bebouwing.
In het buitengebied moet aansluiting gezocht worden bij boerenerven of industrieterreinen. Voor optimalisatie van de synergetische voordelen door aansluiting bij biomassa-aanbieders én/of benutters van de uiteindelijke producten is ruimtelijkeconomisch onderzoek noodzakelijk.
Grootschalige activiteiten, die afhankelijk zijn van grote hoeveelheden van elders aangevoerde biomassa, moeten geconcentreerd worden in de Waddenhavens, aangezien hier al sprake is van een verregaande inbreuk op het open landschapsbeeld en de havens een faciliterende rol kunnen spelen. De Raad adviseert gemeenten en provincies om deze ruimtelijke voorwaarden voor biomassa-activiteiten in te passen in het ruimtelijke beleid om aantasting van het Waddenlandschap te voorkomen.
De Raad acht het Waddengebied bij uitstek geschikt voor kleinschalige biomassa-teelt, waarbij het als experimentele proeftuin kan dienen, gericht op ontwikkeling van kennis en innovatieve concepten. De agrarische sector met zijn potentiële hoeveelheid (reststroom)biomassa kan hierbij als leverancier fungeren.

Een optimale benutting van kansen
Mestvergisting is momenteel de meest voorkomende productiecombinatie met biomassa in de agrarische sector in het Waddengebied. Deze toepassing levert momenteel echter geen duidelijk financieel- economisch voordeel. De Raad meent dat een herziening van het huidige (subsidie)beleid voor mestvergisting overwogen zou moeten worden in het licht van het toekomstige mogelijke potentieel en kosteneffectiviteit. De mogelijkheden tot meer hoogwaardige toepassingsvarianten van biomassa in de agrarische sector zouden nader onderzocht moeten worden. Een dergelijk onderzoek valt buiten de onderzoeksopdracht. De Raad ziet tevens kansen voor een beter gebruik van de verschillende reststromen uit het landelijk Waddengebied.

Decentrale, kleinschalige biomassa-reststroombenutting kan een bijdrage leveren aan de lokale werkgelegenheid in het Waddengebied.
Grootschalige biomassa-activiteiten moeten in de Eemsdelta geclusterd worden, gezien de aanwezigheid van diepzeehavens en de mogelijkheden tot aansluiting bij het hier aanwezige energie- en chemiecluster. Ruimtelijke concentratie (clustering) van biomassa-ontwikkelingen biedt de beste kansen op groei, innovatie en economische versterking, voorkomt versnippering van kennis en ontwikkeling en vermindert tevens de ruimtedruk op de rest van het Waddengebied.
Door een intensieve samenwerking met de aanwezige kennisclusters kan experimentele kennis snel industrieel en commercieel toegepast worden en wordt de innovatiekracht van het Waddengebied verbeterd. Het Waddengebied kan zich zo ontwikkelen en profileren tot een innovatieregio voor biomassa; een proeftuin voor nieuwe technologieën en concepten. Geslaagde pilots en innovaties kunnen daarna buiten het Waddengebied commercieel opgeschaald en geëxploiteerd worden.
Voor de verdere ontwikkeling en innovatie in de hoogwaardige biomassa-technologieën is hoogopgeleid personeel nodig. Het percentage van de beroepsbevolking dat hoger onderwijs heeft genoten is in Noord-Nederland echter relatief laag. Om het Waddengebied daadwerkelijk te kunnen laten ontwikkelen tot innovatieregio op het gebied van biomassa is inzet op gerichte kennisontwikkeling noodzakelijk. De Raad adviseert de overheid beleid in te zetten om het kennis- en scholingsknelpunt in het Noorden op te lossen.

Waddenfonds
Het Waddenfonds kan beschouwd worden als gebieds-specifieke faciliteit die bijdraagt aan de goede uitgangspositie die het Waddengebied heeft voor een verdere ontwikkeling van biomassa-activiteiten.
Innovaties en doorontwikkeling van biomassa- technologieën kunnen met behulp van het Waddenfonds sneller gerealiseerd worden, waarmee het fonds een positieve bijdrage kan leveren aan de geschetste ontwikkeling van het Waddengebied tot proeftuin voor biomassa.

U kunt het advies downloaden (pdf, 2,04 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).

2008/03 Briefadvies inzake Kaderrichtlijn Water

2008/03 Briefadvies inzake Kaderrichtlijn Water

Op verzoek van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft de Raad dit advies over de implementatie van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in het Waddengebied uitgebracht.

Trilaterale afstemming
De stroomgebiedsbenadering van de KRW heeft als nadeel dat de samenhang van het Waddenecosysteem over de - in de kustwateren fictieve - stroomgebiedsgrenzen heen, ondergeschikt wordt aan de relaties binnen de respectieve stroomgebieden. De Raad heeft geconstateerd dat er geen Waddenzeebrede afstemming heeft plaatsgevonden bij de KRW-vertaalslag van de doelen voor de Trilaterale Waddenzee, waardoor er verschillen kunnen ontstaan. Op dit moment is nog niet duidelijk wat de gevolgen hiervan zijn. Wel meent de Raad dat bij de vaststelling van ambities en maatregelen daarom alsnog aandacht moet worden geschonken aan en zorg worden gedragen voor een trilaterale afstemming die recht doet aan de samenhangen binnen het Waddenecosysteem.
De Raad kan zich vinden in de voorgestelde begrenzing en status van de waterlichamen. Ook hier geldt evenwel dat, door het ontbreken van trilaterale afstemming, er extra aandacht moet worden besteed aan het bewaren en versterken van de ecologische samenhang en het streven naar evenwichtige concurrentieverhoudingen in de fase van het vaststellen van doelen en maatregelen.

De Raad heeft waardering voor de manier waarop de Staatssecretaris de open communicatie en publieke participatie via gebiedsgroepen heeft ingericht. Dit heeft positief bijgedragen aan het draagvlak voor de richtlijn.

Praagse methode
Ook voor de als 'natuurlijk' water gekwalificeerde delen van de Waddenzee is de zogenaamde Praagse methode gebruikt, terwijl deze alleen toegestaan is voor 'kunstmatig' en 'sterk veranderd' water. De Raad heeft begrip voor deze keuze, gezien de sterk veranderde ecologische kenmerken van de Waddenzee. In het Stroomgebiedbeheerplan moet dan wel de vastgestelde Goede Ecologische Toestand zorgvuldig worden gemotiveerd.

Eutrofiëring
Waddenzeebreed wordt eutrofiëring als een van de grootste problemen gezien. De omvang van het probleem en de omvang van de te nemen maatregelen zijn echter niet expliciet in beeld gebracht. De Raad adviseert om eerst in kaart te brengen welke milieufactoren naast nutriënten de werkelijk beperkende factor vormen voor het herstel van de primaire productie in de Waddenzee, alvorens over te gaan op maatregelen.

Zoutlozing Eems
In Duitsland loopt een onderzoek naar de mogelijkheden van lozing van zout water in onder meer de Eems. De Raad vraagt aandacht voor het effect van licht verhoogde zoutgehalten op het verhoogde troebelingsmaximum in de Eems en Dollard gezien de nu al bestaande problemen van vertroebeling in dit gebied. Ook moet gekeken worden naar de mogelijkheden van nuttig gebruik van het zeer zoute water voor bijvoorbeeld energiewinning.

Aanpak eilandkwelders
Tenslotte adviseert de Raad een gefaseerd herstel van natuurlijke processen en dynamiek op de eilandkwelders op de oostpunten en een goede monitoring daarvan.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft bij brief van 22 september 2008 haar waardering uitgesproken voor het advies en meent dat het een goed beeld geeft van de gevoelens die er spelen rond de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Zij zal het advies meenemen in de verdere besluitvorming.

U kunt het advies downloaden (pfd, 1,09 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).

2008/02 Zoet Zout; kansen voor herstel van zoet-zout overgangen in het Waddengebied

2008/02 Zoet Zout; kansen voor herstel van zoet-zout overgangen in het Waddengebied

Waarom dit advies?
Het overheidsbeleid is al decennialang gericht op het herstellen van de verbindingen tussen zoete en zoute watersystemen. In het Waddengebied is een aantal projecten uitgevoerd en liggen er voor verschillende locaties plannen en ideeën in een meer of minder vergevorderd stadium van voorbereiding. Het is in het kader van water- en natuurbeleid gewenst dat die discussies worden omgezet in acties. De pkb Derde Nota Waddenzee biedt een handvat om de verschillende plannen niet alleen op hun eigen merites te beoordelen, maar ook tegen de achtergrond van hun betekenis voor het ecologisch functioneren van het Waddengebied als geheel. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft de Raad voor de Wadden gevraagd advies uit te brengen over zoet-zoutovergangen in het Waddengebied.

Waarde van zoet-zoutovergangen
Voor de compleetheid van het natuurgebied en de versterking van de natuurwaarden is de aanwezigheid van zoet-zoutovergangen in het Waddengebied onmisbaar. Met het herstel van zoet-zoutovergangen wordt de biodiversiteit vergroot en zal het aantal karakteristieke flora- en faunasoorten en levensgemeenschappen toenemen. Het herstel van zoet-zoutovergangen levert een positieve bijdrage aan de doelstellingen van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water op alle beschouwde (aangewezen) locaties. Voor de vastelandskwelders en de Waddeneilanden is het behalen van de beleidsdoelen in sterke mate gekoppeld aan het herstel van de natuurlijke processen en dynamiek.

Focus op functies
In het Waddengebied komen verschillende typen zoet-zoutovergangen voor. Zo zijn er grootschalige dynamische typen die in open verbinding met de zee staan (estuaria, lagunes) en kleinschalige landgebonden overgangen waarbij de zoet-zoutgradiënt soms maar een klein onderdeel vormt van een grootschalig, dynamisch systeem (kwelders, eilanden). Elk type overgang vervult bepaalde functies met een eigen waarde voor de Waddenzee, het achterland en de overgang zelf, waarbij niet elk type overgang van nature alle functies vervult. Herstel van alle soorten functies kan daarom alleen worden gerealiseerd door de inrichting van meerdere zoet-zoutovergangen. De Raad adviseert om de 'beslissing van wezenlijk belang' in de pkb Derde Nota Waddenzee, waarin is aangegeven dat "het beleid is gericht op een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van het ecosysteem", te laten prevaleren boven de ?beslissing van wezenlijk belang? waarin wordt nagestreefd om per stroomgebied aanvullend "één natuurlijke zoet-zoutovergang te realiseren".

Bij de uiteindelijke keuze van potentieel geschikte locaties is het belangrijk na te gaan welke functies op welke locatie een bijdrage kunnen leveren aan het functioneren van het Waddenecosysteem. De Raad adviseert de herstelopgave primair vanuit de functies van zoet-zoutovergangen in te vullen en dus niet uitsluitend te focussen op de natuurlijkheid van de zoet-zoutovergang.

De mogelijkheden voor het herstellen van een zoet-zoutovergang met een hoge mate van natuurlijkheid zijn voor het vasteland zeer beperkt. Als gevolg van de bodemdaling binnendijks, is het herstellen van verbindingen tussen het zoete water binnendijks en het zoute water buitendijks op de meeste locaties alleen nog op kunstmatige wijze realiseerbaar. De locaties waar herstel van overgangen de natuurlijke situatie nog het meest benadert, zijn de buitendijkse gebieden op de Waddeneilanden.

Potenties per locatie
De keuze voor herstelmaatregelen is gebaseerd op ecologische potenties, fysieke beperkingen en haalbaarheid in de maatschappelijke context (incl. besluitvorming) op de beschouwde locaties.

Eems-Dollard: De Raad adviseert de Minister om bij de Duitse overheden aan te dringen op verbeteringen in de benedenloop van de Eems, in combinatie met gezamenlijk door Nederland en Duitsland uit te voeren verbeteringen in de Dollard, gericht op verbetering en herstel van het ecologisch functioneren van het Eems-Dollard estuarium. Aangezien de mogelijkheden en potenties voor de Westerwoldse Aa beperkt zijn, adviseert de Raad om voor het herstel van de estuariene overgang in het stroomgebied van de Eems vooral in te zetten op het Eems-Dollard estuarium.

Lauwersmeer: De Raad acht het herstel van een estuariene zoet-zoutovergang met een permanente brakwaterzone in het Lauwersmeer niet realiseerbaar. De haalbare scenario?s leiden hooguit tot beperkt functionerende zoet-zoutgradiënten. Het inlaten van zout water kan wel een bijdrage leveren aan de natuurwaarde van het gebied zelf, met name aan het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer. Verdere bosontwikkeling kan naar verwachting worden tegengegaan door gedurende korte perioden zout water in te laten, of door over langere perioden een hoger (zoet)water peil in te stellen. Eventuele negatieve effecten van periodieke verzilting op de aquatische leefgemeenschap moeten nader worden onderzocht. De laatste maatregel leidt gemiddeld tot een hogere kweldruk in de omgeving dan de eerstgenoemde. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen welke invloed beide maatregelen hebben op de kwelintensiteit in het omringende gebied en welke aanvullende maatregelen hiervoor kunnen worden getroffen. In het noordoostelijke deel van het Lauwersmeer (Marnewaard) liggen wel goede potenties voor het realiseren van een permanente binnendijkse zoet-zoutgradiënt.

IJsselmeer: De directe verbinding met de IJssel en Rijn en de grootte van het IJsselmeergebied maken deze locatie in potentie de meest waardevolle zoet-zoutovergang in het Waddengebied. De aanstaande uitbreiding van de spuicapaciteit, de noodzakelijke aanpassing van de Afsluitdijk aan de veiligheidsvoorwaarden en de mogelijkheden voor energiewinning (Blue Energy) bieden perspectieven om herstelmaatregelen voor zoet-zoutovergangen langs de Afsluitdijk nu in beschouwing te nemen. De Raad adviseert om alle opgaven en uitdagingen in een integraal project uit te werken. Het verlies aan zoetwatervoorraad kan met een geringe peilopzet worden gecompenseerd. Het effect hiervan op de IJsselmeerdijken en de kwelintensiteit zal in het project in beeld moeten worden gebracht. Verder ziet de Raad mogelijkheden om de inrichting zodanig vorm te geven dat er sprake is van landschappelijke en recreatieve meerwaarde ten opzichte van de huidige situatie. De Raad adviseert om voor het herstel van de estuariene overgang in het stroomgebied van de Rijn in te zetten op een overgang in het IJsselmeer.

Amstelmeer: De kansen voor een binnendijkse zoet-zoutgradiënt in het Amstelmeer zijn beperkt vanwege de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en functies van het meer. Het realiseren van een directe verbinding tussen het Amstelmeer en het Balgzand (bijvoorbeeld in de vorm van een  ebsluis in de Amstelmeerdijk) kan mogelijkheden bieden voor de hervestiging van Zeegras in het Amstelmeer, maar meer nog op het Balgzand. De Raad adviseert de mogelijkheden van een buitendijkse zoet-zoutovergang ter plaatse van het Amstelmeer nader uit te werken.

Noard-Fryslân Bûtendyks: Het realiseren van de afvoer van zoet water over de Friese kwelder herstelt het proces van menging van zoet en zout water dat medebepalend is voor het ecologisch functioneren van de kwelder. Door de breedte van de kwelders zal de zoete afstroom maximaal kunnen worden benut, en kunnen lokaal ecologisch waardevolle gradiënten ontstaan. De Raad adviseert de huidige planontwikkelingen te stimuleren om ook dit type overgang op een voor Nederlandse begrippen unieke schaal te herstellen.

Eilanden: Het meer natuurlijke beheer van kustlijn en zeereep, waarbij natuurlijke processen en dynamiek de ruimte krijgen, biedt kansen voor herstel en kwalitatieve verbetering van (bestaande) zoet-zoutovergangen. De Raad adviseert om op de buitendijks gelegen oostpunten van de Waddeneilanden in te zetten op een duurzaam herstel van de kenmerkende functies van zoet-zoutovergangen die (uiteindelijk) wordt aangestuurd door natuurlijke processen. Op de andere delen van de eilanden kunnen zoet-zoutgradiënten hersteld worden middels kleinschalige maatregelen in combinatie met (actief) beheer.

Vismigratie
Het herstel van migratiemogelijkheden voor vis moet waar mogelijk worden gestimuleerd, rekening houdend met locatiespecifieke eisen van vissoorten (en andere organismen) ten aanzien van de vormgeving.

Potentiële bijdrage zoet-zoutherstel voor de veiligheid
De veiligheid van het achterland heeft voor de Raad de hoogste prioriteit en wordt als absolute randvoorwaarde gesteld voor alle mogelijke herstelmaatregelen. Dat geldt eveneens voor waterhuishoudkundige maatregelen die in verband met klimaatverandering (WB21) worden uitgevoerd. Waar mogelijk moet wel gebruik worden gemaakt van natuurlijke processen in het klimaatbestendiger maken van de kust. De mogelijkheden hiervoor zijn echter beperkt en lijken voornamelijk op de Waddeneilanden aanwezig.

Kansen en beperkingen
Zoet-zoutovergangen kunnen op de beschouwde locaties zo worden ingericht en beheerd dat effecten op de landbouw of andere ruimtelijke functies effectief kunnen worden tegengegaan. Het verbeteren van vismigratiemogelijkheden zal bijdragen aan een betere visstand, die onder andere voor de binnenvisserij kansen biedt op betere vangstresultaten. Op een aantal locaties zijn er mogelijkheden om met de inrichting een recreatieve meerwaarde te bereiken. De beschikbare informatie over kosten en baten van het herstel van zoet-zoutovergangen is te beperkt gebleken om als beoordelingscriterium mee te nemen. De Raad adviseert de economische effecten bij de uitvoering van toekomstige projecten goed te monitoren zodat hieruit gegevens kunnen worden afgeleid voor een zinvolle kosten-batenanalyse van toekomstige projecten.

Maatschappelijk draagvlak
De Raad adviseert uitgangspunten en randvoorwaarden met betrekking tot veiligheid expliciet en transparant in plannen voor herstel van zoet-zoutovergangen te verwerken en de communicatie hierover een prominente plaats te geven, zowel voor, tijdens als na uitvoering van de maatregelen. De belanghebbenden moeten worden betrokken bij de opzet en uitvoering van onderzoek naar verwachte effecten. Maatregelen dienen zo mogelijk gefaseerd uitgevoerd te worden zodat kennis en draagvlak werkenderweg kan worden opgebouwd.

U kunt het advies downloaden (pdf, 3 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).

2008/01 'Wind oogsten met blikvangers?'

2008/01 'Wind oogsten met blikvangers?'

Op verzoek van de Minister van VROM heeft de Raad een advies uitgebracht over de mogelijke plaatsing van windturbines in het Waddengebied. De Minister heeft de Raad gevraagd aan te geven welke ruimte het huidige rijksbeleid en met name de planologische kernbeslissing (pkb) Derde Nota Waddenzee laat voor de plaatsing van windturbines in het Waddengebied, en welke invloed windturbines hebben op de belevingswaarde van het gebied. De achtergrond van deze vraag is dat het kabinet heeft besloten landelijk te streven naar plaatsing van 2000 megawatt aan windturbines extra, naast de reeds geplaatste 1500 megawatt in Nederland.

Regie
Gezien de trend naar steeds grotere windturbines, zelfs tot een ashoogte tussen 80 en 120 meter, waardoor de turbines over tientallen kilometers zichtbaar zijn, meent de Raad dat het Rijk in samenwerking met de provincies de regierol op zich moet nemen en nationaal beleid voor de plaatsing van windturbines en windturbineparken moet ontwikkelen.

Planologisch beleid
Het planologische toelatingsbeleid is tot nu toe vooral een zaak van gemeenten en provincies geweest.
De pkb Derde Nota Waddenzee staat nieuwe hoge bebouwing alleen toe op vier locaties aan de Waddenkust, mits ingepast in de skyline. Voor windturbines kent de pkb een afzonderlijke van-geval-tot-geval benadering. De Raad meent dat windturbines bouwwerken zijn en adviseert daarom om het beleid inzake bebouwing aan de Waddenkust ook te laten gelden bij het plaatsen van windturbines. De eventuele plaatsing van de nieuwe generatie windturbines moet daarom beperkt worden tot Den Helder, Harlingen, Delfzijl en de Eemshaven.
Grote windturbines kunnen vogelslachtoffers maken en vogeltrekroutes verstoren. Bij het zoeken naar geschikte locaties voor windturbines zullen de effecten op vogels meegenomen moeten worden.

Onderzoek belevingswaarde
De Raad adviseert om onderzoek te laten uitvoeren naar de belevingswaarde van het Waddenlandschap, en naar de vraag op welke wijze een optimaal maatschappelijk rendement kan worden behaald, waarbij zowel het maatschappelijk nut, het economisch rendement als de belevingswaarde worden meegewogen.

Criteria
In het advies worden enige criteria gegeven die gehanteerd kunnen worden bij het vinden van het optimale maatschappelijk rendement van de plaatsing van windturbines.
Zo wordt geadviseerd windturbines in clusterverband te plaatsen, zodat ze een landmark in het landschap kunnen vormen. Een bepaald aantal verouderde windturbines die hier niet aan voldoen zouden daarom moeten worden gesaneerd. Windturbines zijn een industriële activiteit en passen daarom volgens het advies het best in een industrieel landschap, waarbij wel veiligheidsrandvoorwaarden moeten gelden. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat sommige locaties sowieso ongeschikt zijn vanwege bijvoorbeeld vogeltrekroutes of militaire activiteiten. Daarnaast meent de Raad dat windturbines niet voor de eeuwigheid vergund hoeven te worden; dit zou ook voor een beperkte tijd, in overeenstemming met de economische of de technische levensduur van de turbines kunnen gebeuren. Tenslotte wil de Raad graag ontwerpcriteria geformuleerd zien, om zo middels innovatief ontwerpen windturbineparken zo goed mogelijk in het landschap in te passen en mogelijk te vermengen met andere ruimtelijke functies.

De Minister van VROM heeft bij brief aan de Tweede Kamer van 26 mei 2008 (Kamerstukken II, 29 684, nr. 68) positief gereageerd op het advies. De Minister kan er in hoofdlijnen mee instemmen, en vooral met de gedachte om windturbines te clusteren bij de steden en de grote havens in het gebied. De Minister zal aan de hand van het advies met de provincies overleg voeren over de taakverdeling tussen Rijk en provincies en over de grootte van de te plaatsen windturbines in het Waddengebied.

U kunt het advies downloaden (pdf, 1,32 Mb) of in gedrukte vorm opvragen bij het secretariaat (zolang de voorraad strekt).